Positief denken? Ik weet het niet

Het wordt minder, maar zo af en toe kom ik er nog een tegen. Net iets te enthousiast, beetje te dichtbij, net iets te harde stem. ‘Je moet positief denken. Zeg tegen jezelf, het lukt me, ik kan het’.

Nu moet ik niets. Ik ben van nature een piekende willer met een sterke behoefte aan een eigen keuze, maar het is ook vaak onzin wat ik hoor. ‘Wanneer je positief denkt, dan lukt het je’. De meer genuanceerde positieve denker gebruikt ‘dan lukt het eerder’.

De onderbouwing van het niet weten wat de toekomst brengt

Ik kan nog geen minuut in de toekomst kijken. Eigenlijk nog geen seconde, dus hoe zou ik kunnen weten of iets lukt, of dat iets eerder lukt, of dat iets wel goed komt.

Vervolgens ga ik positief denken en soms ziet het er nog goed uit ook. Vooral bij een positief effect gebeurt er uiterlijk ook iets met me. ‘Goh, wat is er met jou gebeurd?’ ‘Oh, ik ben positief gaan denken’.

Over jezelf zijn gesproken. Dat wat ik dan laat zien ben ik dus niet.  Dan ben ik iemand die op grond van een aan zichzelf gegeven opdracht iets neerzet.

Er komt van alles op me af. Veel goeds, als ik dat kan zien. Soms een tegenslag en als een schijnbare wetmatigheid, komt er weer een tegenslag en nog een. Als een mantra moet ik het gebruiken. Steeds weer. Denk positief. Het lukt me. Denk positief. Het lukt me. Maar ergens in mijn hoofd zegt een stemmetje ‘Dat kan je toch niet weten? Je kunt toch niet zeker weten hoe iets loopt? Ik verdring dat stemmetje met mijn mantra. Ik moet positief denken. Totdat ik er bij neerval.

Leven met de werkelijkheid.

Maar hoe zit het dan eigenlijk met positief denken. Mij lukt het niet om het leven met een mantra in de hand te krijgen. Die manier van denken strookt niet met mijn werkelijkheid. Door een toekomstige situatie constant te bestoken met een repeterende gedachte, ontzeg ik mij de mogelijkheid om te denken in mogelijkheden. Mogelijkheden die haaks staan op een enkele mantra. Mogelijkheden als: misschien lukt het wel niet. Misschien maar ten dele. Misschien lukt het wel met een hoop haken en ogen, misschien hoeft het voor mij niet meer. En misschien gebeurt er wel iets wat ik helemaal niet had kunnen bedenken. Die gedachten sluiten aan op de werkelijkheid.

Ik weet het niet als het over de toekomst gaat. En dat maakt alles mogelijk.

 

Gun jezelf het niet weten

‘Ik vind altijd werk’ tegenover ‘ik vind nooit meer werk’. Beide uitspraken kwam ik regelmatig tegen in mijn praktijk. Wat deze uitspraken delen is dat ‘altijd’ en ‘nooit’ absoluut zijn en dat beide uitspraken over de toekomst gaan.

De twee wegen gedachten

Zeggen ze ja of zeggen zij nee? Wordt het een succes of wordt het een drama? Deze en soortgelijke gedachten geven de spagaat aan waar mensen zichzelf in kunnen denken. Ja, geeft een goed gevoel, nee een slecht gevoel. De gedachte aan succes geeft een goed gevoel, de gedachte aan een negatieve uitkomst een slecht gevoel. Het gevecht wat plaatsvindt in het hoofd van een mens.

De dialoog in het hoofd begint. De twee wegen gedachten. Zichzelf gerust proberen te stellen kan een onderdeel zijn.

Toekomstgerichte overtuigingen, het virus in ons denken

De berichtgeving over de toekomst van Europa maakt iets zichtbaar wat steeds meer een rol gaat spelen. Dat zijn de toekomstgerichte overtuigingen. Ze zijn er in veel vormen en richten veel schade aan. ‘Met bezuinigen komt de groei vanzelf’. ‘Europa gaat ons welvaart brengen’. Vormen van toekomstgerichte overtuigingen die aanzetten tot beleid, omdat ze niet als inschattingen, maar als waar worden gebracht. Overtuigingen overschreeuwen inschattingen.

Het zijn de toekomstgerichte overtuigingen die steeds meer opkomen. Met Europa wordt het alleen maar slechter. Met Europa wordt het alleen maar beter. Twee meningen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Een deel van de mensen deelt de eerste mening, een ander deel de tweede. De discussies gaan daar ook over, met van beide kanten de onderbouwing. Beide kampen zijn overtuigd van hun waarheid. Het kan niet anders dan.

Wat is een overtuiging?

Van Dale omschrijft overtuigingen als: sterk gevoel van de waarheid of valsheid van een zaak.

Daar begint het al. Een sterk gevoel? Van wie? Wat zegt een sterk gevoel? Zet je daar het zeker weten van een overtuiging tegenover, dan wordt die ineens iets anders. Natuurlijk heeft iemand ervaringen, inzichten en logica. Daarmee kunnen we inschatten.  Maar niet gecorrigeerd wordt de inschatting een overtuiging en wordt gebracht en ontvangen als een feit.

Zeef de overtuigingen uit de informatie

De toekomstgerichte overtuiging is een virus in de communicatie. Je komt het virus overal tegen en het doet daar zijn werk. Van dat schroefje houdt nog wel, tot de crisis is over een jaar voorbij. Niemand weet dat. Niemand kan dat weten, omdat het over de toekomst gaat. Overtuigingen, ze halen je alertheid weg. Je weet het immers al, waarom zou je er dan nog over nadenken. Dat gebeurt dus niet.

Het heeft iets fascinerends wanneer je naar mensen luistert met de wetenschap dat zij niet in de toekomst kunnen kijken en je hoort hen vervolgens een toekomstgerichte overtuiging uitspreken.
Dat gaat wel door. Dat komt wel goed. Dat doet hij wel, en vele, vele anderen zijn dagelijks te horen.

 Ze kunnen sterk overkomen, de mensen met toekomstgerichte overtuigingen. Krachtig, zelfverzekerd, zelfs authentiek.
Op het moment dat iemand een toekomstgerichte overtuiging uitspreekt, dan hoor je, als je goed luistert iets meer stemverheffing. De uitspraken worden benadrukt. Soms hoor je de woorden ‘zeker weten’. Armbewegingen bij: ‘dat doet die nooit. Zo kan het niet gaan, dat lukt ‘m nooit’.
Woorden en zinnen die een invulling van een toekomstige situatie beschrijven met daarbij het zeker weten.

Ik weet het niet

Dan lijkt ‘ik weet het niet’, als het over de toekomst gaat, lang niet zo sterk. Terwijl dit het enige reële antwoord is.
Waar de een hoopt, twijfelt, of zich zorgen maakt, kan de inbreng van de ander de toekomstgerichte overtuiging zijn. ‘Het komt wel goed. Het gaat wel door’.

Niemand die zich realiseert dat je dit niet kunt weten. Maar het is wel prettig om te horen dat het wel goed komt. Want je weet het nooit. Misschien dat die ander het op de een of andere manier toch weet. Misschien heeft die een gave die jij mist. In het verleden had hij het ook dikwijls bij het rechte eind.
Geruststelling kan zelfs het gevolg zijn, want hij heeft gezegd dat het goed komt. Scènes die zich elke dag afspelen in een wereld die maar doordraait. Een universeel gedachtepatroon.

En dan komt het goed, of dan gaat het door en dan volgt de reactie. ‘Heb ik het je niet gezegd? Nou?’

Statusverhogend

De boodschap die je daarachter kunt horen is ‘luister nu maar naar mij’. Dat is dan ook precies wat er gebeurt.
De realiteit zegt, dat de man of vrouw die het allemaal al wist, een gok heeft genomen. Onbewust, zich niet bewust van de begrenzing van zijn of haar denken. Maar de gok is goed uitgevallen. De status wordt verhoogd. Er wordt meer naar hem of haar geluisterd. Als meteorieten schieten ze omhoog. Totdat ook zij misgokken. De natuur doet z‟n werk.

De toekomst bestaat uit gedachten

Een gedachte aan de toekomst roept nu een gevoel op. Het is dat gevoel dat de beleving vormt en de stemming bepaalt. Dit wordt niet door de werkelijkheid bepaald. Misschien zit iemand wel in een stoel, heeft het warm en alle elementen zijn aanwezig om zich goed te voelen.

De gedachten kunnen voor het tegendeel zorgen. Je zit constant te denken en een gedachte aan de toekomst kan van alles oproepen. Onrust, woede, twijfel, etc. Het zit dan niet in de situatie, want die is er nog niet. Die komt pas in de toekomst. Het zit dus in je denken, of liever gezegd in je manier van denken. Hetzelfde gebeurt met een herinnering.

Je denkt aan een gebeurtenis uit het verleden en ook dat roept een gevoel op wat nu jouw stemming bepaalt. De herkenning van kerngedachten zorgt ervoor dat je bij de herkenning en de herwaardering even in het nu komt. Want als je gedachten die je hebt als een herinnering herkent, weet je dat de gedachten over het verleden gaan en weet je dat het verleden voorbij is.

Het enige wat je er nog mee kunt is terugkijken en leren. Het draait om de positie die je inneemt, want de positie bepaalt de waarneming. Zo keek je als kind anders tegen situaties aan dan nu. Wanneer je vanuit het NU naar het verleden of naar de toekomst kijkt, dus daarover nadenkt, is dat de positie. Ten aanzien van het verleden en de toekomst ben je vanuit het NU de toeschouwer. Je kijkt terug en je kijkt vooruit.

De herkenning van één van de zes kerngedachten zorgt er elke keer voor dat je door de herkenning terug in het NU komt en toeschouwer wordt van het verleden en toeschouwer van de toekomst. Dan leef en denk je in de werkelijkheid.

Wat is de zin van bang zijn?

Bij dieren kun je het antwoord wel bedenken. Eten en gegeten worden, dat is de natuur. De mens is zover geëvolueerd dat de cirkel is doorbroken. De mens eet en wordt niet gegeten. Als dier, of beter gezegd als elk ander dier, zie je dan ook duidelijk de functie van bang zijn. Dat is constant alert zijn met als doel te overleven.

Die alertheid heeft de mens niet meer nodig. Nu verwacht niemand meer als je in het gras gaat zitten dat je gevaar loopt. Dat je aangevallen wordt door de dieren om je heen. Die alertheid is dan ook in dat opzicht grotendeel verdwenen bij de mens. Dat geldt niet voor het bang zijn. Dat is gebleven. Het bang zijn vertegenwoordigt voor een belangrijk deel het leed van de mens.

Van kinds af aan heeft het invloed op het leven. Maakt het leven minder leuk tot verschrikkelijk. Vreet het aan mensen, van klein tot groot. Zorgt het ervoor dat de mens op z’n hoede is. Op z’n hoede voor wat er zou kunnen gebeuren.

Wat zijn de kenmerken van bang zijn?

Toekomstgericht is een kenmerk. Het gaat over elke toekomst. Over de toekomst van enkele tellen. Over de toekomst van enkele uren. Over de toekomst van jaren. Bang voor een situatie die nog moet plaatsvinden.

Invulling speelt een rol. Beter een slecht scenario dan geen scenario. Het lijkt een bijna natuurlijk verschijnsel voor de mens. Het is echter een manier van denken. Deze manier van denken is aangeleerd.

De context die onze gedachtewereld mist, is het speelveld van ons denken. Deze metafoor omschrijft de grenzen van wat we kunnen weten en wat we niet kunnen weten, zoals wat een ander denkt en voelt en wat er in de toekomst gaat gebeuren. De mens kan dit inschatten. Zich niet bewust van de grenzen van zijn kunnen weten, gaat de mens onbewust regelmatig over die grenzen .

Gedachten spelen een rol bij bang zijn

Bang worden is dan ook een benaming die omschrijft dat de gedachtestroom dit gevoel oproept en versterkt. Hoe meer van bepaalde kerngedachten,  wordt geproduceerd, des te sterker het gevoel wordt.

De denkwereld van de mens bevat gedachten die onder het weten vallen en gedachten die niet onder het weten vallen, maar wel als zodanig worden beleefd.

Bang worden is een gedachteopbouw die buiten het gebied van weten plaatsvindt. Daar denken we te weten, wat we in de werkelijkheid niet kunnen weten.

Gedachten roepen het gevoel van bang op. Omdat dit fantasieën zijn sluit het gevoel bang niet aan op de werkelijkheid.

De prijs die de mens betaalt

Door het niet bewust zijn van de grenzen tussen weten en inschatten, weten en geloven, wordt het evenwicht in het denken verstoord. De effecten van dit denkpatroon is zichtbaar bij bang zijn, onzekerheid, stress, piekeren, burn out somberheid, identiteit.

Een hulpmiddel vanuit het Gedachten Analyse Programma

De kerngedachten waarmee de opbouw van bang zijn plaatsvindt, zijn de niet te beantwoorden vragen – de toekomstgerichte overtuigingen – de niet herkende fantasiegedachten.

Je moet er voor leren. In oorzaak en gevolg.

  1. De grenzen van het speelveld van het denken leren.
  2. De kerngedachten leren herkennen waarmee over de grenzen wordt gegaan en daarmee vanuit de werkelijkheid naar de fantasiewereld.
  3. De herkende kerngedachten herwaarderen. Met de vragen: weet ik dit, kan ik dit weten, komt er een herschikking van gedachten.

De opgedane ervaringen met deze methodieken geven aan dat zij een positief effect kunnen hebben. Een hulpmiddel is dan ook de beschrijving die erbij hoort. Het is niet zo dat met de opgedane ervaringen gesteld kan worden dat het bij iedereen hetzelfde effect heeft. Verdere onderzoeken worden door de school voor praktische menskunde ondersteund.

God of oersoep

Als er een God bestaat, heeft Hij ons dan naar zijn evenbeeld geschapen? Of hebben wij een God geschapen als een verlengstuk van ons denken? Door de bijbel goed te interpreteren, denken sommigen te kunnen weten dat er een God bestaat. Ze denken God te bereiken door de code te kraken.

Volgens anderen heeft de mens een God geschapen die elke wens aanhoort. Vervolgens besluit Hij met een demonische kracht die wens al dan niet in te willigen. Het is dezelfde God die ons alles heeft gegeven wat nodig is om deze aarde tot een goede plek te maken.

We zouden het voedselprobleem in de wereld kunnen oplossen, veel en waarschijnlijk alle ziektes kunnen uitbannen en we zijn in staat gelukkig te worden en anderen te helpen. In plaats van Hem te bedanken voor al die gaven en ons vervolgens te richten op een zo goed mogelijk gebruik ervan, blijven wij Hem maar vragen.

Maar misschien is er geen God en zijn we voortgekomen uit de oersoep. Of we zijn op de aarde gedropt door wezens van een andere planeet uit een ander zonnestelsel. Misschien woont God wel tienduizenden lichtjaren van ons vandaan en strooit hij situaties naar ons toe. Zou dat net zo goed niet een mogelijkheid kunnen zijn?

Er moet leven zijn op andere planeten, stellen sommige wetenschappers. Maar zij kunnen het (nog) niet weten. Hun logica zegt dat het niet anders kan. Met diezelfde logica verzuchten we dat als we geld genoeg hebben, we een stuk gelukkiger zouden zijn. We denken in oorzaak en gevolg. Als ….., dan …… Het is een universele manier, die ons en de wereld heeft gemaakt tot wat we zijn.

Neem bijvoorbeeld een kind dat tegen zijn vader zegt dat hij later beroemd zal worden. Zijn vader vertelt hem dat hij niet kan weten of hem dat later zal lukken, omdat hij niet weet hoe de toekomst zal verlopen.

Diezelfde vader zegt ’s avonds tegen zijn vrouw: “nog een paar jaartjes werken en dan kunnen we gaan genieten van het leven”.

Helaas heeft hij geen vader bij de hand die tegen hem zegt dat hij dat niet kan weten, omdat hij niet KAN weten hoe de toekomst zal verlopen.

Bij elke schijnzekerheid zouden we moeten beseffen dat je het wel kunt geloven, maar niet kunt weten. Ik weet bijvoorbeeld niet of we nu uit die oersoep komen, geschapen zijn door God of misschien wel allebei. Ik geloof wel dat we als mens harmonie kunnen bereiken. Maar zelfs dat is een geloof, het is niet te bewijzen en niet te beredeneren. Want hoe bewijs ik het als ik zeg dat ik me goed voel en in harmonie? Want als ik me echt in harmonie voel, dan voel ik en dan denk ik niet.

We moeten terug naar een denken dat aansluit op onze mogelijkheden. Als je gelooft dat er een God bestaat, dat er leven op andere planeten is, dat de mensheid uit de oersoep komt of dat je na je dood naar de hemel gaat of reïncarneert, dan zegt dat niet alleen iets over de onderwerpen waarin je gelooft, maar zegt het vooral iets over jou. De werkelijkheid is dat je het als mens niet KAN weten, maar je kan het geloven.

Dan koppel je geloof los van je denken, los van oorzaak en gevolg. Je weet het niet, je kan het als mens niet weten, maar je geloof het.

Misschien ontstaat er dan meer ruimte voor besef. Een Godsbesef en een mensbesef.

Als mens weet je zoveel niet. Je denken is beperkt. Als mij iets goeds overkomt, dan kijk ik maar naar boven en naar beneden, dan kijk ik naar links en naar rechts en zeg “bedankt”.

Tegen wie of wat? Ik weet het niet.

Moet ik tijdens mijn leven goed zijn om in de hemel te komen? Als dat zo is, dan wil ik eigenlijk goed zijn vanwege de beloning. Dan denk ik in oorzaak en gevolg.

Ik geloof dat mijn kernidentiteit goed is. Als kerngedachten mij niet meer belemmeren, kom ik in harmonie met mijzelf en mijn omgeving. Ik weet dan een heleboel niet, maar dat besef geeft mij juist de ruimte.

De mensheid is misschien wel zolang als zij bestaat, op zoek naar DE waarheid. De begrenzing van het denken is een zekerheid gebaseerd op de werkelijkheid. Geloof en besef zijn het hoogst haalbare. Maar ze zijn persoonlijk en niet te bewijzen. Zolang je ervan overtuigd bent dat je verstand onbegrensd is en dat uiteindelijk alles is te beredeneren, dan zul je antwoorden op allerlei levensvragen blijven zoeken.

Besef dat de weg van het denken, onderzoeken en ontdekken uiteindelijk leidt tot het oneindige. Het oneindige wat we zoeken en tegelijkertijd met ons verstandelijk denken niet kunnen bevatten.

En dan lig je op je sterfbed en de stem in je hoofd probeert je te beschermen. Je wordt angstig, want de stem in je hoofd wil begrijpen en weten. Er komt geen antwoord. Stel, even de fantasie en daarmee een mogelijkheid, dat je dan het vermogen hebt om in het NU te blijven. Dan heb je de mogelijkheid om gelukkig te sterven. In het NU en je weet niet wat er komen gaat. Maar je hebt jezelf geleerd te leven met: ik weet het niet, ik kan het niet weten.  Of het je lukt om dan in het NU te blijven weet je niet, maar de mogelijkheid is er.

Immanuel Kant wees er al op dat ons kennen beperkt is binnen de grenzen van oorzaak, ruimte en tijd en daarnaast door regels van het verstand.

Wij kunnen niet iets waarnemen buiten oorzaak, ruimte en tijd. Ons verstand zegt ons dat iets altijd een oorzaak moet hebben.

Kant zei dat drie vraagstukken die ons mensen al eeuwenlang bezig houden per definitie niet oplosbaar zijn. Dat zijn de vragen of de ziel onsterfelijk is, of de wereld oneindig is en of God bestaat.

Met deze vragen proberen we met ons kenvermogen buiten de wereld van verschijnselen in ruimte en tijd te treden. Maar dat kan helemaal niet. Wij kunnen alleen maar de wereld kennen binnen de kaders van oorzaak, ruimte en tijd.

Op de vraag of God bestaat, kan zowel ja als nee geantwoord worden. Beide overtuigingen komen (al heel lang) voor en kunnen beargumenteerd worden.

Sartre zegt nee, er bestaat geen God. Miljarden andere mensen zeggen ja, hij bestaat wel. Ik zeg: “ik weet het niet, ik kan het niet weten”.

Maar het definitieve argument dat alle andere overbodig maakt, zal nooit komen zegt Kant, want God is iets boven of buiten de waarneembare wereld van verschijnselen in ruimte en tijd, dus kunnen we God niet kennen (of zijn niet-bestaan bewijzen). God gaat de beperkingen van ons denken te boven en daarom kunnen wij niet bewijzen of hij wel of niet bestaat.

Dat mensen behoefte hebben aan een Godsbegrip of de ontkenning ervan, is een psychologische aangelegenheid en heeft niets met wetenschap te maken. Geloven is niet hetzelfde als weten.

Gedachten Analyse Programma

Een manier om je gedachtestroom stil te zetten en stil te staan bij een kerngedachte met de mogelijkheid deze te herwaarderen. Zo kom je steeds dichter bij de werkelijkheid en bij jezelf. Bij degene die je eigenlijk bent en in evenwicht.

Wanneer de mens is gaan denken laat zich alleen raden. Toch is er ooit in het verre verleden een mens geweest die als eerste een klank verbond aan iets. Vuur, gevaar, het kan van alles zijn. Wie of wat dit was, man of vrouw, weten we ook niet.

De eerste mens die een code bedacht, een klank die wij woord noemen. De codes die wij nu taal noemen. De grootste uitvinder ooit. Het was het begin van alle communicatie die wij mensen nu kennen.

De tweede uitvinder was de mens die de gesproken taal ging coderen en het schrift uitvond. Kennis en inzichten konden worden vastgelegd en overgedragen. Ook in dit geval moet er iemand de eerste zijn geweest.

De derde uitvinder was de uitvinder van de codering in cijfers. Tijd en afstand werden geboren.

De vierde uitvinder was de uitvinder van de muzieknoten die het mogelijk maakte dat muziek voortleefde.

Vier mensen. Vier sterk ondergewaardeerde individuen die een cruciale bijdrage hebben geleverd aan het voortbestaan en de ontwikkeling van de mens.

Neem als extra de transportmogelijkheden voor de communicatie die ontstonden, dan kan vanuit deze invalshoek de ontwikkeling van de mens verklaard worden.

Coderen, een onophoudelijk proces

Nieuwe ontdekkingen krijgen een naam en daarmee is de nieuwe kennis van deze ontdekkingen overdraagbaar. Alles wat wordt waargenomen wordt gecodeerd en geeft zo een beeld van onszelf en de wereld om ons heen.

Gedachten, die de codes zijn die mensen gebruiken om te ordenen, te begrijpen en te overleven. Ooit ontdekt door een mens, toen een klank werd gekoppeld aan iets.

Dat iets werd later een woord, later een zin en later een aantal tekens die de klank codeerde. De taal was geboren. De taal die ontstond uit de codes die werden gevormd.

Zo heeft de mens kunnen overleven. De klanken maakten betere samenwerking mogelijk, waarschuwde voor gevaar, beschreef verre plekken.

Er ontstond een nieuwe wereld voor de mens

De wereld die zich buiten de waarneming van de zintuigen bevond. Een wereld die zij zich, door het horen van de klanken, in konden beelden.

De mens kon zich bij het horen van de klanken voorstellen hoe iets eruit zou zien. Hoe een geluid zou zijn. Welke geuren ze daar konden vinden. Hoe de smaak zou zijn, hoe het voelde. Dat alles dankzij de klanken.

De codes brachten de mens meer dan veiligheid, voedsel en beschutting

Zij brachten de nieuwe wereld. De wereld in het hoofd van de mens. De nieuwe wereld, de nieuwe mens. Daar, waar het eerst stil was, begon het leven. Steeds meer woorden, steeds meer zinnen, steeds meer kennis ontstond in het brein van de mens. Er was geen grens meer voor de mens, de mogelijkheden werden onbeperkt. Alles kon, het was slecht een kwestie van tijd om het te bereiken.

We zijn meer dan alleen onze gedachten

Er is nog een wereld. De wereld van het nu, waar het stil is. Even niet denken. Waar je ‘weet’ zonder woorden. Zonder gedachten. Waar je even rust vindt.

Even maar. Het is genoeg om te ervaren. De wereld raken we steeds meer kwijt. Die stem, waar we mee denken, praat maar door. Gedachten houden ons tegen. Iets drijft ons, we moeten door. Dat doen ons brein met gedachten. Het angstbeeld van geen vooruitgang is genoeg om maar door te gaan. Zo ver zijn we nu met onze beschaving. Geen oordeel, alleen een vaststelling.

Denkpatronen

Denkpatronen sturen je. Je denkt aan de toekomst en je denkt aan gebeurtenissen uit het verleden. Een gedachte aan de toekomst roept bij jou nu een gevoel op. Het is dat gevoel wat nu jouw beleving vormt en jouw stemming bepaalt. Dit wordt niet door de werkelijkheid bepaald, maar door de gedachten die je op dat moment hebt.

Misschien zit je wel in een stoel, je hebt het warm en alles is aanwezig om je goed te voelen. Je gedachten kunnen voor het tegendeel zorgen. Je zit constant te denken en een gedachte aan iets in de toekomst kan van alles oproepen. Onrust, woede, twijfel, etc. Het zit dan niet in de situatie, die is er nog niet. Die komt pas in de toekomst. Het zit dus in je denken, of liever gezegd in je manier van denken.

Hetzelfde gebeurt met een herinnering. Je denkt aan een gebeurtenis uit het verleden en ook dat roept een gevoel op wat nu jouw stemming bepaalt.

Voorbeeld: je hebt vorige week een gesprek gehad dat niet zo prettig was verlopen. Over een paar dagen heb je met dezelfde persoon weer een gesprek.

Zie je er tegen op? Dan is dat het oude patroon. Het gevoel wat je krijgt bij de herinnering aan het eerste gesprek haal je naar het nu.
Immers nu voel je het. Vervolgens denk je aan de toekomst, het tweede gesprek, met dat gevoel. En dan zie je er tegen op.

De genetische fouten in ons denken

Genetische fouten. Er is iets fout gegaan in de ontwikkeling van de mens. Dat is de belangrijkste conclusie van het onderzoek naar hoe mensen denken en de effecten hiervan. Genetisch betekent in dit verband overgedragen.

Van generatie op generatie. Elke generatie draagt de kennis van de codes in de vorm van de taal over op de volgende generatie. Hoe je denkt heb je dus geleerd van de mensen in je jeugd. Ouder(s) en anderen.

De fouten worden daarbij ook doorgegeven. Fouten die veel leed als effect hebben. De fouten worden zichtbaar wanneer je luistert naar mensen met als context drie beperkingen die ieder mens met zijn denken heeft.

  1. We kunnen niet weten wat er in de toekomst gaat gebeuren. We kunnen het inschatten, maar niet weten. De situatie heeft nog niet plaatsgevonden. Wanneer mensen nadenken is dat besef er niet. We denken iets te weten wat we in de werkelijkheid niet kunnen weten. Wat wordt gedacht over de toekomst wordt als werkelijkheid ervaren. Die gedachten roepen een gevoel op. Dat gevoel bepaalt op dat moment onze belevingswereld.
  1. We kunnen niet weten wat een ander denkt of voelt. Ook dat kunnen we inschatten, maar niet weten. Toch ervaren we met de (kern)gedachten die we hierbij gebruiken de bedachte situatie als werkelijkheid. Ook hier roepen de gedachten een gevoel op en ook dat gevoel bepaalt op dat moment onze belevingswereld.
  1. We kunnen niet in oneindigheid in tijd en ruimte denken. We kunnen ons er niets bij voorstellen. Oneindigheid heeft namelijk geen context. Deze beperking maakt de grens tussen weten en geloven zichtbaar.

De fouten in onze manier van denken door het ontbreken van een begrenzing

Het denken heeft nog geen context. Ons brein heeft daardoor geen grenzen. Het schiet met gedachten alle kanten op. Naar het verleden, zonder het besef dat het verleden voorbij is. Naar de toekomst, zonder het besef dat de toekomst nog moet komen. Zonder het besef dat nu de werkelijkheid is.

Daarmee heeft ons brein geen mogelijkheid om de overgang van weten naar fantaseren op te merken. Werkelijkheid en fantasie lopen door elkaar. Het brein zoekt naar antwoorden die er niet zijn. Het brein denkt te weten, terwijl dit in de werkelijkheid niet kan. Het brein beseft niet dat het gedachten zijn en niet de werkelijkheid. Gedachten roepen gevoelens op en die bepalen onze beleving. Oude gedachten roepen een oud gevoel op wat los staat van de werkelijkheid. Fantasieën roepen gevoelens op die los staan van de werkelijkheid.

Voorbeelden van gedachten die je uit de werkelijkheid halen

Waarom reageert ze niet? Dat komt wel goed. Als ik het vraag, doet ze het wel. Ze kunnen me echt niet missen. Zal hij ooit nog veranderen? Als ik mijn best maar doe, dan houd ik mijn baan wel. Wat zullen ze van me denken? Denken ze dat ik niets te doen heb? Wie goed doet, goed ontmoet. Stel dat ze nee zeggen. Zal me dat later niet verweten worden? Dat doen ze wel. Stel dat er een ongeluk is gebeurd. Ze komt wel. Als het bedrijf moet inkrimpen, lig ik er als eerste uit. Ik vergis me nooit in mensen. Als je maar goed leert, dan kom je er wel. Waarom moet mij dat weer overkomen? Stel dat ze niet betalen. De mensen begrijpen dat wel. Ik denk dat zij zich aanstelt. De aanhouder wint. Als je vluchtelingen terugstuurt, stapt er niemand meer in een bootje. Als je specialisten te weinig betaalt, dan gaan ze naar het buitenland. Geld is de motor van de economie. Een Brexit is een ramp voor Europa.

De oorzaken

We hebben de grenzen niet geleerd tussen weten en inschatten. Tussen weten en geloven. Deze grenzen bepalen het speelveld van je denken. Binnen deze grenzen kun je weten wat je denkt. Buiten deze grenzen kun je geloven of inschatten wat je denkt. Buiten de grenzen van het speelveld bevinden zich de fantasieën die niet als zodanig worden herkend. ‘Als ik zeg wat ik denk, komen daar alleen maar moeilijkheden van’, is daar een voorbeeld van. ‘Dus, doe ik dat maar niet’, is het besluit. Een besluit op grond van een fantasie. Niet op de werkelijkheid, want de situatie heeft nog niet plaatsgevonden.

De effecten van de fouten

Angsten. Veel angsten. Voor de reactie van een ander. Voor een mogelijke afloop. Voor de teleurstelling. Voor het verleden. Voor wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. Fouten. Veel fouten op grond van iets denken te weten wat je niet kan weten omdat het over de toekomst gaat. Over wat een ander denkt en voelt. Over oneindigheid.

We gaan de grenzen van de mogelijkheden van ons denken over met drie soorten gedachten. Drie kerngedachten.

Met mijn onderzoek naar gedachten werd gekeken met welke soorten gedachten de mens over die grenzen ging. Deze zijn kerngedachten genoemd.

  • Niet te beantwoorden vragen
  • Toekomstgerichte overtuigingen
  • Niet herkende fantasiegedachten

Het bleek dat herkenning van dit soort gedachten, met het besef van de grenzen van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het denken, een sleutel is om gedachteprocessen te stoppen of om te buigen.